Brasem

Uit Hengelsportnet
Ga naar: navigatie, zoeken

De brasem (Abramis brama) behoort tot de familie eigenlijke karpers (Cyprinidae). De brasem is een van de meest beviste vissen in Nederland. Brasem is een van de populairste vissen waarop gevist wordt, vooral tijdens wedstrijdvissen. Een jonge brasem wordt ook wel een "bliek" genoemd. Bijnamen zijn "platte", "vloermat" en "scheerbliek". Het is een van de talrijkste vissen van Nederland en door zijn gewicht vaak de belangrijkste vis qua biomassa.

De maximale lengte is 90 cm. Een Duitse recordvis uit 2000 was 85 cm lang en woog zeven kg. Normale lengten zitten in het bereik van 40 tot 60 cm en brasems boven de 70 cm komen alleen in specifieke omstandigheden met een lage stand aan brasem voor.

Wetenschappelijke naam: Cypriniformes; Karperachtigen Cyprinidae, Eigenlijke karpers

Herkening[bewerken]

De volwassen brasem heeft een typische ruitvorm, is afgeplat en heeft een lange aarsvin en een korte puntige rugvin. Zo kunnen ze 's zomers wel herkend worden als het zuurstofgebrek ze naar de oppervlakte dwingt. De vinnen zijn grijzig of zwart en nooit gekleurd. In de paaitijd kunnen mannetjes herkend worden aan de paaiuitslag, keiharde wratjes op de kop en kieuwdeksel. De kleur is variabel en hangt sterk samen met de helderheid en begroeiing van het water. Bij helder begroeid water krijgt de brasem een bronzen kleur, in rivieren en troebele plasjes is hij meer zilverachtig met een wat gelige gloed.

Zeer jonge brasems worden meestal niet als zodanig herkend omdat de visjes dan nog heel slank zijn. Ze zijn zilverachtig, sterk afgeplat en hebben een lange aarsvin. Ze kunnen worden onderscheiden van voorns door het afgeplatte lichaam en de lange aarsvin. Van kolblei alleen door de schubben te tellen (met behulp van foto of loep).

Verwarring met kolblei[bewerken]

De brasem wordt vaak verward met de kolblei, maar eigenlijk is het vrij simpel de soorten uit elkaar te houden. De kolblei heeft aan het begin van zijn gepaarde vinnen een rode vlek, de brasem heeft borstvinnen die tot voorbij de aanhechting van de buikvin komen. Een andere manier om ze te onderscheiden is de geur, brasem heeft een heel sterke geur (en veel slijm), kolblei ruik je niet zo snel. Bovendien is bij de kolblei de diameter van het oog gelijk aan de afstand van de bek tot het oog. Bij brasem is dit niet zo. De kolblei heeft dus in verhouding een groter oog.

Op de foto in de fotogalerij staan twee jonge exemplaren van brasem en kolblei. Bij deze dieren moet je goed kijken om het verschil te zien. Het meest betrouwbare kenmerk zijn de grovere schubben van kolblei. Door de schubben van de zijlijn tot de voorkant van de rugvin te tellen kan uitsluitsel worden verkregen. De kolblei heeft er 10 of minder. Ook andere verschillen kunnen worden gezien, zoals de zilveren kleur en stompe kop van de kolblei zijn op de foto te zien, maar ze zijn subtiel en moeilijk op het eerste gezicht te zien.

Ook kruisingen van brasem en kolblei komen voor en recentelijk worden ook Donaubrasems (Ballerus sapa) gevangen, die aan de enorm lange aarsvin en het iets slankere postuur te herkennen zijn.

Levenswijze[bewerken]

In elk water dat groot genoeg is komt in Nederland brasem voor. Ze komen veel voor in kleine en grote rivieren, maar ook in sierwater, polderwater, zandafgravingen, tichelgaten en kanalen.

De brasem is een scholenvis, zelfs de heel grote exemplaren komen nog in kleine groepjes voor. Op gunstige plaatsen graven de brasems gezamenlijk in de modder of het zand, waar ze eetbare bodemdiertjes uitfilteren. Modder en plantendelen worden weer uitgespuugd. Soms schakelen brasems over op watervlooien of andere diertjes in de middelste waterlagen. Ze prefereren de diepere gedeeltes van het water. 's Avonds en 's nachts azen ze wel vaak op ondiep water. Soms zijn ze overdag in de 10 tot 15 cm grote 'brasemputten' te zien langs ondiepe oevers.

Voortplanting[bewerken]

De brasems paaien in april, mei en juni. Als de weersomstandigheden verslechteren wordt de paai vaak weer onderbroken om ze later weer te hervatten.

Ze paaien in de oevers en zelfs langs rivierkribben, maar bij voorkeur wordt zeer ondiep water opgezocht. De mannetjes verdedigen kleine territoria, waar ze andere mannetjes uit verjagen. De vrouwtjes produceren afhankelijk van de grootte 90.000 tot 300.000 eitjes. De kleverige eitjes worden op plantenmateriaal afgezet. Na het dooierzakstadium vormen de brasems scholen in de oeverzone.

Verbraseming[bewerken]

Met het verdwijnen van de waterplanten is de snoekstand hard achteruitgegaan, omdat jonge snoeken zich niet meer kunnen verschuilen en ten prooi vallen aan grotere soortgenoten (kannibalisme).

Hierdoor treedt een enorm geboorte-overschot van voornamelijk jonge brasems op ('verbraseming'). Deze jonge brasems eten bovendien het dierlijk plankton op, dat zich met plantaardig plankton pleegt te voeden. Tot een grootte van ca 42 cm zijn de kieuwaanhangsels van de brasem fijn genoeg om Daphnia uit te filteren. Op 'verbrasemd' water lijkt dat ook een magische groottegrens te zijn. Grotere brasems moeten overschakelen op bodemvoedsel (muggelarven), dat niet in voldoende hoeveelheid aanwezig is om de brasem nog verder te laten groeien. Ook andere karperachtigen (voorns) groeien slecht in deze wateren doordat de enorme aantallen vissen niet voldoende voedsel kunnen bemachtigen. Deze brasems worden wel schierbliek genoemd.

Hierdoor neemt de vertroebeling van onze binnenwateren nog meer toe. Grote brasems woelen bovendien - bij het zoeken naar voedsel - de bodem om, zodat naar de bodem gezakte fosfaten opnieuw in circulatie komen. In sommige binnenwateren heeft deze 'verbraseming' tot gevolg gehad, dat vissoorten als snoek, baars en ruisvoorn verdwenen of zeer slecht groeien.

Beschrijving[bewerken]

De brasem kan een lengte bereiken van 90 centimeter, maar een lengte van 30 tot 50 cm is normaler. De brasem heeft een typische ruitvorm, is afgeplat en heeft een lange anaalvin en een korte puntige rugvin. In de zomer kunnen de brasems makkelijk gespot worden wanneer ze door het zuurstofgebrek naar de oppervlakte van het water komen. De kleur van de brasem is variabel en is afhankelijk van de helderheid en begroeiïng van het water. Wanneer het water helder en begroeid is krijgt de brasem een bronzen kleur, maar wanneer het water troebel en en minder begroeid is krijgt de brasem vaak een zilverachtige kleur met een gelige gloed.

De jonge brasems zijn vrijwel altijd zilverachtig, afgeplant en hebben een lange anaalvin. Ze kunnen onderscheiden worden van voorn door het afgeplatte lichaam en de lange anaalvin. Ze kunnen van kolblei onderscheiden worden door de schubben te tellen. De brasem wordt vaak verward met de kolblei.

Leefgebied[bewerken]

Brasem is te vidden in heel Midden-Europa maar ook in Engeland en Ierland. Opvallend is dat Brasem niet voorkomt in Schotland en Scandinavië. Ook in het Middellandse-Zeegebied komt Brasem maar weinig voor. In Nederland leeft brasem leeft in vrijwel elk water dat groot genoeg is voor de vis, en dan voornamelijk is stilstaand tot langzaam stromend water.

Gedrag[bewerken]

Brasem leeft in een school, zelfs de grootste exemplaren leven in scholen. Brasems graven regelmatig in de modder op zoek naar bodemdiertjes. Dit doet hij met de uitstulpbare bek. Brasems vertoeven vaak in de diepere gedeeltes van het water en zijn vaak 's avonds en 's nachts azen ze wel vaak op ondiep water. Brasem leven bij voorkeur in scholen, die niet altijd bestaan uit alleen maar brasem maar ook uit andere vissoorten, voornamelijk roofblei, een vis die veel op brasem lijkt.

Aas en voeding[bewerken]

Brasem eten muggenlarven en bodemdiertjes. Dit doen zij door te woelen in de bodem, wat soms kan leiden tot troebel water en in extreme gevallen waarbij de brasem populatie erg hoog is, dat andere vissen verdwijnen uit dat water. Bij het vissen op brasem is het belangrijk dat de brasem gevoerd wordt. Aan het voer moet ook voldoende levend materiaal worden toegevoegd zoals maden. Vaak wordt er een voerplek gemaakt waarbij gebruik gemaakt wordt van maden, casters en zoete maïs. Daarnaast worden er vaak zoetstoffen toegevoegd. Ook brood, deegballetjes, aardappel, boilies worden gebruikt. Brasem is erg flexibel en niet echt kieskeurig te noemen wat betreft het aas, hoewel er vaak gezegd wordt dat brasem een voorkeurig voor zoetigheid heeft.

Voor een compleet overzicht van welke soorten aas er gebruikt kunnen worden wanneer men vist op brasem, kijk dan bij het overzicht van brasem haakaas en brasem lokaas.

Techniek en materiaal[bewerken]

Oorspronkelijk werd er veel met vaste hengels op brasem gevist, maar tegenwoordig wordt er vooral gevist op brasem met gebruik van een matchhengel of een feederhengel. De beste periode om op brasem te vissen is van april tot september, maar ook buiten deze periode kan er op brasem gevist worden. Warm, zwoel weer, tijdens de vroege ochtend en avonduren zijn de beste omstandigheden om op brasem te vissen. Het beste kan men dicht in de buurt van begroeide oevers en waterlelies vissen. Bied het aas dicht bij de bodem aan waar de grotere exemplaren vaak door de bodem vroeten. Brasem staat er om bekend gevoelig te zijn voor geluid, dus iets verder van de kant of boot af vissen heeft vaak de voorkeur. Indien dit niet mogelijk is dient men dus zo stil mogelijk te zijn tijdens het vissen.

Hengelsport[bewerken]

Door het behoorlijke formaat en de grote aantallen brasems in vrijwel elk water in Nederland is dit een populaire vis voor de hengelsport. Voor de viswedstrijden is deze vis het belangrijkst.

Belangrijk bij het vissen op brasem is het voeren. Aan het voer moet ook voldoende eetbaar levend materiaal worden toegevoegd, zodat de brasem op de voerplek kan blijven eten en de school dus op de visplek aanwezig blijft. Het haakaas moet zo stil mogelijk op de bodem blijven liggen. Favoriete aassoorten zijn maden (vliegenlarven), casters (vliegenpoppen) en zoete maïs. Aan het lokvoer worden meestal ook wat zoetstoffen en vanille toegevoegd.

Van oudsher werd er met lange vaste hengels op brasem gevist, maar recentelijk zijn daar de matchvisserij en de feedervisserij. De matchvisserij maakt gebruik van werphengels waarmee grote dobbers goed geworpen kunnen worden. Bij de feedervisserij wordt een gaaskorf met lokvoer samen met het aas ingeworpen.

Wedstrijdvissers vangen met deze methoden tientallen kilo's vis per sessie van enkele uren.

Er wordt ook door 'specimenhunters' op brasem gevist. Een 'specimen' brasem is een vis die groter is dan 70 cm. In de wateren met een flinke brasemstand worden de vissen niet zo groot. Ze bereiken dat soort formaten alleen in ruim, plantenrijk en redelijk voedselrijk water.

Eigenlijk zijn dat soort wateren de wateren met het oorspronkelijke Nederlandse ecosysteem. Dat houdt in dat snoek en grote baars de dominante soorten zijn. Voorns en brasems zijn door de predatie van die soorten veel schaarser en kunnen daardoor goed uitgroeien, zonder dat voedselgebrek optreedt.